Gepersonaliseerd leren, gedifferentieerd doceren

Docenten

Martijn Meeter 

Terwijl leren plaatst vindt binnen een individu, is onderwijs een sociale activiteit. Bijna altijd is er een docent die het onderwijs uitvoert of op zijn minst structureert, en worden lerenden in groepen onderwezen. Dat laatste brengt voordelen en nadelen met zich mee. Een voordeel is dat lerenden vaak goed van hun peers leren, en dat groepsprocessen ingezet kunnen worden om het leren te bevorderen (Beishuizen, 2008). Een nadeel is dat, zeker als de groepen wat groter zijn, docenten het zicht kunnen verliezen op waar individuen in de groep staan, en het onderwijs maar beperkt kunnen aanpassen aan de individuele lerende. Binnen het onderwijs zijn er daarom bewegingen om het onderwijs te personaliseren via differentiatie: om te diagnosticeren waar de lerende staat, en het onderwijs op de persoon toe te snijden. Dat zou opleveren dat iedere lerende onderwijs krijgt op zijn of haar optimale niveau, met optimale feedback die misverstanden recht zet, de juiste strategieën aanleert en toegesneden is op de leerdoelen van de lerende. 

Programma
Deze bewegingen, naar gepersonaliseerd leren en gedifferentieerd onderwijs, nemen we als uitgangspunt van ons onderzoeksprogramma. We onderzoeken wat er mogelijk is aan personalisatie, en of dit het onderwijs verder brengt. Daarbij kunnen twee stappen worden onderscheiden, die beide hun eigen onderzoeksvragen oproepen:

· Diagnose: hoe richt een docent het onderwijs zo in dat hij/zij een accurate diagnose krijgt van het leerproces van een lerende? Welke rol kan formatieve toetsing hierin spelen, concept checks, feedbackgesprekken, en ICT? Weet een docent te expliciteren wat hij/zij wil dat de lerende leert, en een lerende wat hij/zij wil leren? Hoe kunnen de lerende en de docent ontdekken of de lerende een tekst goed begrepen heeft? Bij grotere groepen, kan deze informatie middels learning analytics zichtbaar en bruikbaar worden gemaakt voor de docent, en voor de lerende zelf?

· Actie: hoe kan een docent, op basis van de diagnose, het onderwijs zo aanpassen dat het gepersonaliseerd wordt voor de lerende? Welke strategieën en (digitale) hulpmiddelen heeft de docent hiervoor? Hoe kunnen deze strategieën worden aangeleerd aan de docent? Wat zijn de belemmeringen? Kan het onderwijs zo ingericht worden dat de lerende passende inhoud en oefening krijgt aangeboden? Hoe kan de vakdidactiek hierop aangepast worden? Gebeurt personalisatie eigenlijk vanzelf al door de acties van lerenden of groepsgenoten? En, als laatste, essentiële stap: leiden zulke acties wel tot grotere en langdurigere leeropbrengst, en/of sterkere motivatie bij de lerende?

Deze vragen stellen we voor drie niveaus van onderwijs:
· voortgezet onderwijs, en dan vooral het algemeen vormende (in Nederland: havo en vwo).
· hoger onderwijs (universiteit en hbo)
· opleidingen voor docenten (lerarenopleiding, cursussen voor docenten)

Naast het onderzoek geïnspireerd door de bovengenoemde vragen gebeurt er binnen de groep ook vakdidactisch onderzoek – onderzoek naar de te gebruiken didactiek binnen schoolvakken. Dit onderzoek wordt voor een belangrijk deel bepaald door vragen die leven in de vakdidactiek (bijvoorbeeld: doeltaalgebruik binnen het onderzoek naar moderne vreemde talendidactiek).